|
 |
|
Zandhagedis | De gemeente Roermond streeft ernaar om via natuurontwikkeling een ecologische structuur te realiseren, waardoor verschillende natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Dieren kunnen via deze verbindingen van het ene gebied naar het andere gebied trekken. Hierdoor zal een soort minder snel uit een gebied verdwijnen, omdat er aanvulling mogelijk is vanuit andere gebieden. Bovendien is de kans op inteelt kleiner wanneer er uitwisseling is tussen dieren uit verschillende gebieden. Een goed beheer moet daarnaast bijdragen aan een hoge kwaliteit van de diverse natuurkernen.
Nieuwe natuur rondom Roermond
De gemeente Roermond heeft een grote verantwoording vanwege de strategische ligging vanuit ecologisch perspectief. Daarom wordt samengewerkt met instanties als de provincie Limburg, Rijkswaterstaat, Waterschap(pen), Ministerie van LNV e.d., om extra natuurontwikkeling mogelijk te maken. Deze nieuwe natuurkernen kunnen in sommige gevallen worden gecombineerd met andere functies, zoals recreatie. Wat voor soort natuur wordt ontwikkeld hangt onder andere af van de bodemsoort, het grondwaterpeil en welke natuur goed past binnen het landschap. Daarnaast wordt rekening gehouden met de al voorkomende planten- en diersoorten en geprobeerd om de natuurontwikkeling hier gedeeltelijk op aan te passen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de gegevens van Stichting Natuurbank Limburg (zie Ruimtelijke ontwikkelingen en natuur). De inrichting en het beheer van het nieuwe gebied moeten indien mogelijk bijdragen aan de instandhouding en ontwikkeling van de al aanwezige bijzondere soorten.
Onderzoek voor een goed beheer
Natuur is dynamisch en vaak moeilijk voorspelbaar. Wanneer natuurontwikkeling plaatsvindt, worden de basisvoorwaarden gecreëerd om tot de gewenste natuur te komen. Een goed beheer zorgt ervoor dat het gewenste streefbeeld ontstaat. Het juiste beheer is echter niet altijd even goed voorspelbaar. Daarom laat de gemeente op enkele plaatsen onderzoek doen naar de effecten van het gevoerde beheer. Door het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg worden veranderingen in flora en fauna geïnventariseerd. Hieruit kan afgeleid worden of het beheer aangepast moet worden, of dat het in de huidige vorm voortgezet kan worden.
 |
|
Schapen zorgen voor begrazing, ook in de stad. | Schapen in de stad
Natuur krijgt niet alleen aandacht buiten de stad, maar ook binnen de bebouwde kom wordt geprobeerd de natuurwaarden te verhogen. Op diverse plekken wordt ecologisch groenbeheer toegepast door middel van schapenbegrazing. Voor de natuur leveren de schapen een groot voordeel op. Een strak geknipte haag en kort gemaaid gras, wordt verruild voor iets natuurlijker plantsoen. Door schapen te laten grazen, wordt het gras op de ene plaats verder weggegeten dan op andere plaatsen. Zo ontstaat een gevarieerder grasveld, met meer verschillende planten- en diersoorten. Een ander effect van schapenbegrazing is dat er een meer geleidelijke overgang ontstaat van hoog naar laag, omdat dieren dicht langs een haag meestal niet het laatste grassprietje te grazen nemen. Dit is gunstig omdat veel dieren een 'harde' overgang van hoog naar laag zullen mijden. Schapen zijn ook goed voor zaadverspreiding, omdat zaden tussen de hoeven of in de vacht blijven kleven. Zo kunnen planten zich makkelijk verspreiden over de verschillende stadsplantsoenen die begraasd worden.
Meer variatie door natuurlijke plantensoorten
In de plantsoenen zullen ook meer natuurlijke planten en struiken worden geplant. Veel insecten, zoals bijvoorbeeld rupsen, zijn afhankelijk van speciale waardplanten. Dit houdt in dat het insect alleen op een specifieke plantensoort kan leven. Uitheemse planten zijn meestal niet zo rijk aan insecten, omdat veel insecten speciale inheemse planten als waardplant hebben. En het aantal insecten is weer van invloed op het aantal insecteneters, zoals veel vogels en zoogdieren. Insectenetende vogels en zoogdieren, vormen het voedsel van roofdieren. Een dood roofdier wordt verteerd en levert weer nieuw voedsel aan planten. Zo ontstaat een kringloop, waarbij alles afhankelijk is van elkaar. Bovendien geldt: hoe meer soorten deel uitmaken van de kringloop, des te stabieler is het geheel. Want in een soortenrijk gebied, vormen bijvoorbeeld wel 20 insectensoorten het voedsel van een bepaalde vogel. Bij schaarste van enkele insectensoorten, zullen ze doorgaans een kleiner aandeel uitmaken van het menu van de vogel. Bij maar één enkele prooisoort, zal het aantal vogels automatisch veel meer schommelingen vertonen omdat het voedselaanbod sterker varieert.
|