Stadhuis

U bevindt zich hier: Home » Bezoeker » Cultuur en Historie » Monumenten in Roermond » Stadhuis

Stadhuis

Het stadhuis, gelegen aan de Markt in Roermond, heeft een lange geschiedenis. Al in 1399 wordt er gesproken van een 'raithuys'.

Op 16 juli 1554 legde een enorme brand drievierde van de binnenstad in as. De brand (die aangestoken was) verwoestte ook het stadhuis. Zo'n duizend gebouwen gingen in vlammen op. Om dit soort rampen te voorkomen werd er door de regering een bijdrage van eenderde van de kosten voor nieuwe pannen- of leien daken verstrekt. De brand had zich immers snel kunnen verspreiden doordat de meeste daken van riet en hout gemaakt waren.
Voor de wederopbouw van het stadhuis kreeg de stad zes jaar lang jaarlijks 200 goudguldens.

Rond 1700 kreeg het stadhuis een grote verbouwing. Het stadhuis diende vanaf toen ook als vergaderplaats voor de Staten van het Overkwartier van Gelre. In 1695 werd er begonnen met de bouw van een ridderkamer, die volgens 19e eeuwse beschrijvingen identiek is met de huidige burgemeesterskamer. Tegelijkertijd met de bouw van de ridderkamer werd er een vertrek voor de gedeputeerden van de Staten gerealiseerd, de huidige Statenzaal, in de volksmond beter bekend als Trouwzaal.

Over verdere bouwkundige veranderingen zijn tot 1872 geen gegevens bekend. Enkel dat de toren op het stadhuis werd afgebroken en weer volledig werd herbouwd door Hendrik Wolff, meester-timmerman, voor 2149 gulden. De oplevering was echter 35 dagen te laat. Als boet had de helft van de aanneemsom gekort kunnen worden, maar de burgervaderen streken over hun hart en betaalden de volledige som uit.

In 1876 werd de voorgevel van het stadhuis gecementeerd volgens een plan van de bekende architekt Ch. Weber. Dit soort bepleistering was in die tijd zeer populair en veel gevels werden gemoderniseerd in Franse stijl. Zo ook het stadhuis. Het aangezicht werd verder verfraaid door herplaatsing van de oude toegangsdeur die jaren in het Godshuis op zolder had gelegen. De drie dakkapellen met de wapens van Limburg, Roermond en Gelre dateren ook uit die tijd.

Tot 1905 werd er bijna geen onderhoud aan het stadhuis gepleegd. Mede door het toedoen van architekt P. Cuypers (toen tevens raadslid) werd er in 1905 een krediet beschikbaar gesteld om het stadhuis grondig te restaureren en uit te breiden met ondermeer een nieuwe raadzaal.

Op 1 maart 1945 werd Roermond bevrijd van de Duitse bezetter. Twee weken later bezocht koningin Wilhelmina de zwaar verwoeste stad. De koningin trof een Markt aan die grotendeels omringt was door ruines. Het stadhuis was het minst beschadigd, maar de belendende percelen lagen geheel in puin.
Direct na de oorlog werden er voorzichtige plannen gemaakt om het stadhuis en omliggende panden te herstellen.
De toenmalige gemeentesecretaris, Mr. W. Hosselet wilde dat alle ambtenaren een plaats kregen in het stadhuis. Hij dacht dat als Roermond zou uitgroeien tot een stad van 50.000 inwoners, een 35-tal ambtenaren voldoende zouden zijn. (Roermond heeft nu 45.000 inwoners en ca. 500 ambtenaren!)

In oktober 1953 ging het stadhuis in de steigers. Kort na de start van de renovatiewerkzaamheden bleek dat er een veel omvangrijker herstel nodig was dan men zich had voorgesteld. Het gehele gebouw verkeerde in een verregaande staat van verval en zat vol met gecamoufleerde gebreken. De 'restauratie' van 1905 bleek een vluchtige en weinig doelmatige geweest. Zware ijzeren balken rustten op wankele halfsteens muurtjes en ogenschijnlijke stevige dikke muren waren hol en met puin gevuld. De monumentale trap in de hal bleek een zwevend, levensgevaarlijk geval te zijn, stucplafonds hingen aan verrotte balken en de toren in een verregaande staat van ontbinding en zakte bijna door het dak. Het stadhuis bleek het gevaarlijkste huis in de stad!

De restauratie van het oude gedeelte, het oorspronkelijke stadhuis, kwam in 1955 gereed. De belangrijkste uiterlijke verandering was de gevel; de cementlaag was afgekapt en de gevel met zijn karakteristieke pilasters, kroonlijsten en fries werd bekleed met tufsteen.
Na deze eerste fase werd begonnen met de verbouwing van het pand Markt 32 (Voorheen het pand Heynen). Dit pand werd bij het stadhuis gevoegd om plaats te maken voor het stijgende aantal ambtenaren.

Maar al snel was het stadhuis alweer te klein en tussen 1988 en 1990 is het gehele stadhuis, inclusief het gemeentearchief aan de Swalmerstraat gerestaureerd en uitgebreid. Aan de Swalmerstraat en achter het historische stadhuis kwam nieuwbouw (kelder en vier bouwlagen). Tussen het de nieuwbouwgedeelte en het historische stadhuis werden twee binnentuinen aangelegd en recent is hier nog het hoekpand Swalmerstraat/Jezuïtenstraat (voorheen drukkerij ARS) en een bouwlaag aan toegevoegd.
De jongste restauratie was in 2004 toen de Statenzaal weer in oude glorie is hersteld.

Statenzaal

In de loop van de veertiende eeuw ontstaat in Roermond de behoefte aan een gebouw waarin de voornaamste openbare diensten kunnen worden ondergebracht. Dit onderkomen –in 1399 aangeduid als ‘raithuys’- moet dienen als centrum van stedelijke rechtspraak en bestuur en als symbool van stedelijke vrijheid en macht. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw wordt het stadhuis van Roermond tevens gebruikt als vergaderplaats van de Staten van het Overkwartier van Gelre waarvan Roermond, als hoofdstad, deel uitmaakt. Rond 1700 doet de stedelijke regering aan de Staten het aanbod om twee vertrekken aan de zijde van de Markt om te vormen tot één grote zaal ‘waerinne de heeren van de ridderschappe ende van de steden uuyt hunne camers sullen cunnen commen om de petitiën t’aenhoren ende conferentiën te houden’. De Staten gaan uiteraard akkoord en de totstandkoming van de ‘Statenzaal’ is een feit.

18e eeuw

Uit het begin van de 18e eeuw stamt de prominente haardpartij die van meet af aan tegen de noordelijke wand is gepositioneerd. De positie van de haard is niet alleen praktisch van belang maar speelt ook in symbolisch opzicht een belangrijke rol bij vergaderprocessen van de Staten. Sinds 1719 prijkt boven de haard de beeltenis van de Oostenrijkse aartshertog Karel VI, hertog van Gelre. Het portret, waarop de vorst ten voeten uit is weergegeven, wordt in opdracht van de Staten van het Overkwartier door de Roermondse schilder J. Sitterich vervaardigd. Behalve de beeltenis van Karel VI hangen in de Statenzaal nog een achttal olieverfportretten van landsheren uit de periode 1621-1795.

19e eeuw

In de negentiende eeuw (na de Franse bezetting) is het stadhuis alleen nog ingericht ten behoeve van stedelijke voorzieningen. De representatieve Statenzaal dient in deze periode in hoofdzaak als ontvangstruimte bij officiële aangelegenheden.

20e eeuw

Vanwege de slechte bouwkundige toestand van het stadhuis wordt in 1905 en 1906 op verzoek van architect, restaurateur en gemeenteraadslid Pierre Cuypers, het stadhuis verbouwd. Burgemeester en wethouders grijpen de verfraaiing aan om tevens een nieuwe raadszaal te creëren die wordt ondergebracht in de Statenzaal. Vooruitlopend op een omvangrijke renovatie van het stadhuis, uitgevoerd in 1953-1955 en in 1962, laat de gemeente Roermond in 1947 als eerste de Statenzaal restaureren door M. Volkhemer. Volkhemers aanpassingen aan de Statenzaal zijn met name bedoeld om het historische karakter beter tot uitdrukking te brengen.

21e eeuw

Het Monumentenhuis Limburg schrijft in 2002 een cultuurhistorisch rapport over de Statenzaal dat dient als basis voor een renovatie. De werkzaamheden omvatten o.a. het verwijderen van de muurstijlen, schilderen van kozijnen, deuren, plafond en lambrisering, vervanging van gordijnen en Perzische tapijten en het opknappen van het Cuypersmeubilair. Tevens wordt de oude geluidsinstallatie vervangen. Tegenwoordig wordt de "beste" kamer van het stadhuis hoofdzakelijk gebruikt voor officiële ontvangsten, recepties en natuurlijk bij het sluiten van een burgerlijk huwelijk. U kunt het stadhuis beperkt bezoeken.

Carillon

Boven het stadhuis is in het torentje een klokkenspel of beiaard te horen en te zien. De beiaard is in 1982 door bedrijven en particulieren geschoken ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van de stad Roermond.
Het klokkenspel telt 47 klokken in vier octaven met een totaalgewicht van 1700 kg. Het kan zowel automatisch als met de hand worden bespeeld.
In 1995 werd het klokkenspel aangevuld met een groep bewegende beelden die elke middag om 12.00 rond de toren van het stadhuis draaien. De beeldengroep bestaat uit: de architekt (Dr. Cuypers), de kleermaker, de nar, de papierschepper, de bisschop (Van Hoensbroeck), de orgeldraaier, de smid en de vorstin (Maria Therisia). De beelden zijn een geschenk van bedrijven en particulieren ter gelegenheid van het afscheid van oud-burgemeester Daniels.

Het carillon of stadsbeiaard, in het torentje van het stadhuis, is in 1982 bij gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Roermond door particulieren en bedrijven geschonken. In 1995 zijn de beelden toegevoegd aan het carillon. Hiervoor hebben bedrijven en particulieren, bij het afscheid van oud-burgemeester Daniels, geld ingezameld.

Het carillon bestaat uit 47 klokken en heeft een gewicht van 1700 kg. De kleinste klok heeft een doorsnee van 16 cm en een gewicht van 9 kilo. De zwaarste klok heeft een doorsnee van 78 cm en weegt 270 kg. Het carillon telt vier octaven en kan zowel automatisch als met de hand bespeeld worden. De stadsbeiaardier bespeelt het carillon met het authentieke stokkenklavier.

De Stichting Stadsbeiaard Roermond beheert het carillon en de beiaard. Samen met de gemeente Roermond, bedrijfssponsors en particuliere donateurs worden gezamenlijke projecten ter hand genomen om (delen van) het carillon te verbeteren of te vernieuwen. Ook organiseert de stichting diverse activiteiten om de stadsbeiaard te promoten. De zomeravondconcerten, met medewerking van diverse solisten en muziekgezelschappen, is hier een voorbeeld van.

Iedere dag om 12.00 uur wordt de geschiedenis van Roermond levend, wanneer het beeldenspel op het carillontorentje van het stadhuis zich in beweging zet. Extra rondgangen zijn er tijdens de concerten van Stadsbeiaardier Rosemarie Seuntiëns. Deze concerten vinden plaats op zaterdagen tussen 12.00 en 13.00 uur en tijdens de koopzondagen, de 1e zondagen van de maand, van 13.30 tot 14.15 uur en van 14.45 tot 15.30 uur. Het beeldenspel werd aan de stad Roermond geschonken door het Roermondse bedrijfsleven. Beiaard en carillon worden beheerd door de Stichting Stadsbeiaard Roermond.

De figuren van het beeldenspel op het carillon

Alle beelden hebben een verwijzing naar de historie van Roermond. De beeldengroep bestaat uit:

  • de architect
  • kleermaker
  • nar
  • papierschepper
  • bisschop
  • orgeldraaier
  • smid
  • vorstin
  • De architect

Onmisbaar in de parade der zinnebeelden rond de stadhuisbeiaard is natuurlijk de figuur van dr. Pierre Cuypers, zoon van een huisschilder die woonde aan de Hamstraat en nu een van de grootste zonen die Roermond telt. Schepper van de neogotische architectuur, was hij in zijn fameuze werkplaatsen ook de stimulator van een buitengewoon creatieve werkgelegenheid. En daarin bloeide ook de kunst van schrijnwerkers, kapmakers en timmerlieden, een kunst die eeuwenlang heeft gefloreerd.

  • De kleermaker

Fameus was Roermond ook als laken-stad, want het laken dat hier geproduceerd was van oudsher al van zeer goede kwaliteit. Roermond verwerkte het laken mechanisch, met molens aan de Roer en dat was een primeur voor Europa. Van heinde en ver kwam men hier om laken te kopen. En fameus was ook het gilde der kleermakers.

  • De nar

Wie Roermond niet anders kent als het Haagje van het het Zuiden, als stad van de clericalen en liberalen, welke laatste hier de eerste rijks-HBS hebben gesticht zéér tegen de zin van de bisschop – die zal niet vermoeden, dat Roermond ook een stad van narren is. Zij manifesteren zich momenteel in een keur van vasteloaves-gekken en zetten zo een traditie voort vanuit de middeleeuwen.

  • De papierschepper

Gesymboliseerd in de beeldengalerij van deze beiaard is ook de kunst van het papiermaken, waarin Roermond altijd heeft uitgeblonken. Het beeld verwijst naar de belangrijke rol van de papierindustrie in het Roermondse. Jarenlang voerde Burghoff Magnee en Compagnie aan de over van de Roer een toonaangevende rol in de Limburgse papierindustrie. Nog steeds vervult de papierindustrie in de stad een belangrijke economische rol.

  • De bisschop

Sinds in 1559 het bisdom Roermond werd gesticht, heeft de stad een reeks van imposante bisschoppen gekend, van wie er velen historie hebben geschreven. Dat heeft ook Philip Damiaan, markies van Hoensbroeck gedaan, een man van adel die overigens in Roermond, in de Lindanusstraat geboren werd en ten tijde van Maria Theresia zijn pontificaat uitoefende. Hij deed dat heel opmerkelijk als levensgenieter en muziekminnaar.

  • De orgeldraaier

Roermond was (en is nog) een stad van kermisexploitanten van befaamde families die van hieruit met hun schitterend gedecoreerde attracties rondreisden. Die decoraties en het daarbij behorende houtsnijwerk stamden uit de ateliers van dr. Cuypers. Zo hield deze, als ’s winters de bouw stil lag, zijn schrijnwerkers en schilders bezig. Met het opsmukken dus van het kermiswezen. En daarbij behoorden ook de orgels.

  • De smid

Houdt hem in ’s hemelsnaam niet voor Christoffel, patroon van de stad. Ja, hij heeft wel wat van hem weg, als u hem uit de verte ziet staan, en hij heeft ook een geheven arm, maar die ondersteunt géén Jezuskind. Hij heeft laaiend vuur in zijn rechterhand, want hij is Vulcanus, God van het vuur en van het smeedwerk. En zijn smidse bevindt zich onder de Etna.
De vorstin
Als u het niet meer weet: na de Romeinse tijd in het begin van onze jaartelling, leefden en stierven Roermondenaren onder het bewind van talrijke heersers. In de tumultueuze opeenvolging van zoveel soevereine Huizen en Heersers, was er één Vrouw: Maria Theresia die Roermond heeft geregeerd. Als Oostenrijkse vorstin schonk zij Roermond de Maria-Theresiabrug (Steenen Brug) en daarmee een belangrijke verbinding met het Europese achterland.

Vleeshal en Biggenmark

De oudste vermelding van het 'vleeshuys' gesitueerd aan de Markt, stamt uit 1358. Bij de brand van 1554 ging het compleet verloren, maar het werd weer herbouwd, waarbij de begane grond dienst deed als vleesmarkt en de bovenbouw als gildelokaal.
In het vleeshuis werd vers gerookt of gezouten vlees verkocht. Dit gebeurde nog tot 1942.
Nu dient de vleeshal als passage tussen de Markt en de Jesuïtenstraat.